Alle Popes Roelofs                                                                  Terug naar hoofdpagina van Alle Popes Roelofs

Gehele reisverslag:

Dit reisverslag beslaat 20 pagins's en is uitgewerkt door Feike Paulides.
Hebt u hierover vragen of opmerkingen ? Mail naar stamboom@paulides.com .
Klik hier voor een achtergrondtoelichting bij deze reis.

Feike Paulides, 1995

 

Reisverslag van Alle Popes over zijn reis van Drachten naar Amsterdam in 1769

 

Een verhaal van onse reis die Wij Gedaan hebben

Met peerd en Cees van de dragten naar de Koopstad

Amsterdan wij zijn uit de dragten gereeden

op den 8 Juny te Weeten Hendrik Aaukes

En Alle Popes beide woonagtig in de Dragten

 

Hoort nu aandagtig eens, inwoonders van de dragten

Gij zult ook na mij denkt. een rim gedigt verwagten

En dat al van ons reis. die wij hebben gedaan

om die van mij nu Nog te klaarder te verstaan

Wel wat ons hier en daar. en gender kwam te Vooren

Daar van zal Ik u nu Nog een Wenig Laten hooren

Wij hebben onSe koerts door beetsterzwaag genomen

Zijn door terwiSpel en de Gorredik gekoomen

Wij kwamen door berkoop. daar dagt het ons gepast

Dat men het paart daar wat van Zijne dienst ontlast

Wij reeden daar vandaan. Noordwoude ook ten Ent

Een wynig kwamen Wij doe in het Lantschap drent

Doe hebben wij de stad Van Steenwijk al vernomen

En zijn een wijnig nog doo­r't vlakke Lant gekomen

Wij reeden in de Stad en Zagen eens in't ront

Zo lang tot dat men daar een grote plaatze Vont

Doe keerden wij terstont Zo na de Linker kant

Daar Staat een herberg vraay al aan de Straat ge­plant

Ons dagt was ver genoeg Wij hielden daar doe aan

Men bragt het peert op Stal en wij zijn Ingegaan

 

De hospes en zijn vrou die vroegen haastig doe

Waar komt u reis vandaan en waar Zult gij na toe

Wij Zeiden uit Vrislant in deesen wilt Verstaan

Het dorp genaamt dragten daar kome wij vandaan

't Voorneemen was van hier voortaan na Zwolle te trek­ken

Is u de weg bekent Gij wilt het ons ontdekken

Want wij zijn onbekent op alle deese weegen

En Zijn tot onderregt in de­ezen wel geneegen

Zo haast als hij nu ons on­kundigheit vernam

Zeid hy ik weet de weg wel tot aan Amsterdam

Ik dacht wij zijn te regt doe Ik dit hoorde aan

Ik zeid, als 't U belieft wilt hier wat zitten gaan

Ik zeg U nu min vrint in deezen ook gewis

Dat't oogmerk van ons reis na Amsterdam ook is

Doe telde hij't ons op en Zeide haast in deezen

Dan moet gij lij te Zwol ge­heel en al niet weesen

Want Zwol leit u te hoog en't gaat te zwaar in't Zant

Doet liever na mijn raat en hout de Veele kant

Hij nomd, ons de steeden heel duidelijk en klaar

Ik nam terstont de pen en sereef het ook aldaar

Wij zeiden op u woort zeul­len wij het passeeren

Het zalt ons dan voortaan nog wel wat klaarder leeren

Wij maakten ons doe haast tot rijden weer bereit

En scheiden van de man met grote dankbaarheit

Wat Steenwijk nu belangt die stad en is niet groot

Als men voor deezen ook wel van hem haast getoont

 

Zij zijn niet ligt bevreest al voor de viant buitten

Anders zo zouden zij wel meer de poorten sluitten

Geheel door gieteren voorbij de blauwe kant (hant?)

Daar leit vergraaven meest al dat schone lant

't Lant van Vollen hoowe dat vonden wij aldaar

Waar bij dat ook de zee ter­stont ter zuidden waar

wij reeden Eerst nog wat langs dat zelve lant

En voeren met de Schou doe na`de ander kant

Daar leit terstont een dorp in haren taal gelmudden

Daar waren het meest al te zamen hantweksliedden

Het hantwek 't geen zij daar­ meest al te zaam van lee­ven

Bestaat voornamentlijk in't viske matte weeven

Men Zag daar klein en groot Ja menig man en vrou

Elk yvrig doe ter tyt te wee­wen met zijn tou

Elk had nusgierigheit al aan ons daar te Lant

En kwam in deur en venster met visken in de hant

Ik waarschou de reisiger mij denkt het is vannoden

Het roken is aldaar heel st­rengelijk verboden

Het scheint een aardig dorp maar dog de straat heel nou

En aan de ander kant daar leit een schoonlanstdou

Het is geen beste klij maar meest gemengde gronden

Daar wij een groot getal van schone beesten vonden

Men heeft geen bouwery doe in een tijt vernomen

Tot dat wij aan het dorp van graffers zijn gekomen

De zon die daalde neer was bij na aan de gront

Eer dat men nog de stad te weeten kampen vont

 

Men vont de herberg daar Verzien van groote heeren

Ik vraagde aan de knegt oft men daar kon logeren

Hij zeid heel wonder wel met veel beleefde reeden

Ik breng het peert op stal wilt gij maar binnen treeden

Wij zijn in huis gegaan en zeide tot de vrou

Wij vreesden voor te laat dat wij hier koomen zou

Nee vrinden zeide zij 't is hier niet ligt te laat

Ik doe min deur oopen al is't voor een soldaat

of een arm reisiger die niet heeft te verteeren

Die kan hier voor plesier bij mij een nagt logeeren

Voor kampen leit een brug van lengte ongemeen

Hier aan de buite kant Oo­ver de Yssel heen

Het is een wonder werk en ook al wijt vermaart

Hij doet een stuwer tol als min daar oower gaat

Hij loopt wel meest gevaar in't driewen van het ijs

 

Denkt vrij dat zulken brug beloopt een hooge prijs

Maar kampen is een stad die wel ter neering staat

Want hij is vraaij verzien al met een binne vaart

En aan die ander kant daar leit een lantsdou goet

Dat lag na mijn verstant al Eer voor eb en vloet

Elburg de eerste stad die leit in gelderlant

Al met een bolwerk zwaar en bomen vraaij beplant

Het is ontrent een stad te weeten als Steenwijk

Door outheit in't verval en gans niet neeringrijk

Het schint in gelderlant meest al serale weijde

Het is daar wel verzien van duinnen zant en heijde

Omtrent harderwijk in geld­erlant gelegen

Daar vint de reiziger heel zonderlinge Weegen

 

Dog daar is geen gevaar Zij zijn wel vast en goet

Maar't gaat door 't water heen Ja door een snelle vloet

De diepte van een voet wat minder en wat meer

Daar reden wij zo door en dat al vrisvat veer

Voerlij en de boeren bren­gen daar koopmanswaren

Want bowen deze stad ge­heel geen schepen varen

Een wonderlijk manier dat moet ik U vertellen

De peerden daar te Lant gaan­ al te zaam met bellen

't is nuttig bij een berg en dienstig in de sporen

Dan konnen zij malkaar zo als van verre hooren

Wij hebben ons van daar weer na de zee gegeewen

Aan't Stigt van Utregt toe zijn wij dei nagt geblewen

Bunschoten heet het dorp dat kwam ons te vertonen

Al met een hawen daar ook nog ZeeViskers woonen

De inwoonders van heel het drip verhaalden ons ook doe

Al van haar paarde merk tot negen deuzent toe

De voor een dag twee drie daar doe weer was gehou­den

Van alderhande zoort te we­eten jong en ouden

Wij kwamen in een dorp 't was Zoegdik zo men zeit

Daar heeft ook onse Prins een Vraje heerlijkheid

Naarden de Eerste stad leit in hollant aardig

Die is ook te bezien voor ijder mensche waardig

Al met een bolwerk zwaar en iet een meur in't rond

Zo dat men zijns gelijk op onsen reis niet vond

'D in woonders van die stad die hebben ons berigt

Dat hij was van bestek na koeverden gestigt

Dat het wat wonders was zo merkten wij het aan

En zijn hen uit plijsier ge­heel in't rond gegaan

 

Schansen en met bruggen aan alle beijde zijden

Daar moesten wij zo in en weederom uit rijden

Doe kwam ons weer een stad heel aardig te vertoonen

Die meujen wort genaamt daar veele menschen wonen

Wij zijn maar wijnig doe al door die stad gekomen

Ten vlakke velde en want daar zijn wijnig bomen

Men wist ontrent de doel Volgens het berigt

De stad van Amsterdam lag doe voor ons gezijgt

Waar oower dat wij ons doe beid, te zaam verblijden

Men vond daar weegen sch­oon en heel gepast te rijden

Men zag hofsteeden daar en teunnen en paleizen

Welk plisierig was om daar zo door te reizen

Wij kuamen voor die poort denkt dat men wonder zag

Die eerst verzonken was en die verbroken lag

Wij spoeden ons al voort en reeden haastig doe

Ten zuiden om de stad aan  de weesoppen toe

Men reed ter poorte en qij waren al verblijt

Wij zagen na de klok te we­eten aan de tijt

Wij zagen hem heel klaar al op vier uere staan

Dit was de derde dag is het niet wel gegaan

Terstont binnen de poort daar is een grote plein

Een herberg en de stal die waren lang niet klein

De hospes en zijn vrou dat waren jonge lieden

De herberg en de stal kwam hij ons aan te bieden

Zij hadden ons van hem ook al berigt gegeewen

Wij waren haast gereet en zijn daar ook gebleeven

De hospes heete Jan en was van Zwol vandaan

Zijn vrou van Groningen wat kan't al wonder gaan

 

Des Zondags zijn wij daar ook na de kerk gegaan

Om't woort des Heeren doe ook eens te hooren aan

Een huis gebout tot dienst om god den Heer te loowen

Aan't teeken is't bekent de zon die staat daar bowen

De leeraar die daar stond die deeld' ons doe eens mee

Dat men bescreewen vint in Jeremije twee

Hoe God door zijnen knegt wel wel eertijts gaf bevel

En klagde ower`t volk van`t oude ijsrael

Zij de sprinkaader van het leewen al vergeeten

En past het op ons toe dat keunt gij wel lijgt weeten

Wij lieten ons rijdeug te am­sterdam doe staan

En zijn des maandags doe te scheep van daar gegaan

ten Eersten op de stad Haa­rlem wilt verstaan

Die zijn wij tot plisier  ge­heel ook door gegaan

In die stad staat een kerk gebout al wonder groot

Tot nut in dienst gepast v­oor's Heeren heilig woort

Een neeringrike stad heel aardig te beschouwen

Want hij is vraaj verzien met viele schon gebouwen

Wij zijn doe weer vandaar in de jaaschut gegaan

Na Leijen dat leit daar vif UEre gaans vandaan

Leyjen sat is een stad in hollant heel vermaart

Daar gaat veel koopmansch­ap daar is een sterke vaart

Het is heel Neerig daar van alderrleij bedrijf

Vers waater in de stad tot ijder eens gerijf

Het is daar rum zo schoon als Elders in de steeden

Wij zijn tot ons vermaak die stad ook doorgetreeden

Wij voeren na Een tijt daar Weederom Vandaan

doe ging het alzo voort op 'S Grawenhage aan

 

Men zag de dunnen blinken te Weeten aan Zee kant

Wij voeren meeste altijt zo doot het vlakke lant

Bijna geen bouwery op die kuist Ergens waar

Maar vlakke landen meest en polders hier en daar

Digte bij den Haag dat moet ik u verEeren

Daar zijn hofsteeden schoon van alderhande heeren

De bomen zijn gesnoeit de hagen wonder net

Men zag de palmen daar heel aardig afgezet

Met veel gedierten ook heel aardig ende kant

Van alderhande zoort te wa­ter en te lant

Zij staan daar wonder mooj lighaam'lijk uitgescrewen

Daar hapert bij na niet als enkel maar het leewen

Dit is't vermaarste ook dat men in Holland weet

Zij zijn ook wel bekend door landen wijd en breet

't Was doe de regte tijt dat men het lief'lijk vont

Want bloemen ende kruit meet al te bloeyen stont

Elk heeft een zomerhuis daar bij het waater staan

Daar zij tot haar plijsier dan dagelijks op gaan

\om daar tot haar vermaak een kopje tee te drinken

En ook een glazie wijn zij daar ook dikwels schenken

Het is plijsierig daar van alderhande dingen

De scheepen varen sterk de vogels vrolijk zingen

Wij naderden Den Haag dat merkte men zo aan

Dat het twaalf UEren leit van Amsterdam vandaan

Den Haag dat is een vlek dat Glansrijk zig vertoont

Daar ons hoog Eedel Prins met veele Heeren woont

Wij zijn na't hof gegaan om dat Eens te beschouwen

Dat niet het hoogste is van alle die gebouwen

 

Het is wel wijd en breed maar ganschelijk niet hoog

't Vertoont ook geen Zie­raart al voor een pronkend oog

Aan't uitterlijk te zien zo moet wel zijn gezeit

Hij geen voorstanden is van de hooweerdigheit

`t Was met een muur om­rengt een poorte aan de st­raat

Daar het melijttie volk altijt gewapent staat

Wij zijn doe ook geweest al in zijn peerdestal

Zij zeiden dat hij had twee hondert in't getal

De Prins was doe ten tijt al uit den Haag ontrent

Vertrokken na breda te ho­uden Kampement

Wij zijn doe ook geweest al in dat huis ver staat

Daar de Heeren van het lant hielden de hooge raat

Wij gingen daar vandaan ook in de Lotterij

Dat is een groot gebouw dat staat daar digte bij

Den Haag dat is een vlek van Heerlijkheeden rijk

Zo schoon dat hier te lant is nergens zjn gelijk

Doe men nu ook den Haag genoeg bekeeken had

Voeren wij weer Veer vand­aan na delft dat is een stad

Des aavons zijn wij nog wat door die stad gegaan

En voeren 's morgens vroeg daar weederom vandaan

Doe keerden wij weerom zo­dat men weeder kwam

Door Leijjen Haarlem tot aan het volkrijk Amsterdam

Men zogt doe haastig op de heerenpakkery

Daar men ons veerman vond die leit daar digte bij

Men kwam malkaar verblijk de welkomst toe te wensen

Hij was ons leitsman doe bij alder hande menzen

Hij is met ons gegaan al na het vogel huis

In't aankomst hoorde men terstond een groot gedruis

 

Dit moet ik u hier van ten Eersten al verklaren

Ik had het nooijt gedagt Er Zulke schepzels waaren

De beer die scheen wat loom helijk als het luijpaart

De aap die kwam mij voor in gauwijgheit vermaart

De bavijaan kw mee een groot gedruis te maken

Wat zuiker of een noot die wild hij geven kraken

En veel gedierten meer bei­de klin ende groot

De leeuw die zag men ook maar dog die was al doot

Maar meest stond ik ver­steld oower de plummen die­ren

Die zag men wonderlijk in veelder hand manieren

Het is wel dubbeld waardig het geen dat men daar geeft

om te beschouwen aardig wat God geschapen heeft

Men zogt doe weeder op  ons Hospes wonder aardig

Ik zeg tot lof van hem hij is wel priesen waardig

Van dese stad zal ik meer wonderlijke dengen

Voor de liefhebbers nu voo­rtaan ten voorscijn brengen

 

Dit zijn voornamentlijk

De Eerste vonderwerken

Want het is daar talrijk

Van alderhande kerken

Gerevermeerden veel

En lutters en menistem

En remostrants een deel

En ook nog veel papisten

De Geest getuigers kerk

Dat moet ik u verklaren

Daar zijn ook zo ik merk

Nog vrije Metzelaaren

 

Veel Jooden zijn daar nu

En ook de Parte Giesen

Elk mag daar vrij ter stee

Zijn volk doen onderwiezen

Daar zijn dan nog wel meer

Van alderhande leeren

Elk gaat na zijn begeer

Om zijnen God te Eeren

 

Het stadshuis heel vermaart dat heeft men eens beschout

Wat is dat wijd en breed en wonder hoog gebout

Wij zjn daar in gegaan een wijnig al na bowen

Daar het konstig is verziert men kant't haast niet gelo­wen

Men zag het Hemels plin ve­rziert met Zon en maan

En de sterren schoon in ha­re plaatse staan

Het is rontom bezet met Ko­nsten ongemeen

Die uit gehouwen zijn in de kalbastersteen

Men ziet sterk uit en in het volk Zo dagelijks lopen

De deur staat tot plisjer voor alle menchen Oopen

Digt bij de buitenkant een groote Kerke stond

Geheel met koper dekt en boven is hij rond

Duisenden van huisen heb­ben ons vertoont

Daar een Husgezin twee drie bowen malkarder woont

Dat leewert ons te zaam veel menschen in het getal

Daar ik u nu voortaan een Woort van zeggen zal

Een wonder zag men daar des zondags zo ik merk

Het ging al voor en na en onder't predik werk

Wat al een koetzen schoon in anders nog een deel

Ik zwieg van het getal het mogt u zijn te veel

 

Ik zeg na mijn verstant en het kan ook wel bestaan

't Koom op een hondert twe geheel en al niet aan

Het weer was wonder mooy en op het langts der dagen

Zij konden na Een stad of ver te lande jagen

Denk dat't op zulken dag alhell vermaar,lijk gaat

Al van de morgen vroeg tot aan de avond laat

En ook bij duienden 't zijn wonderlijke zaken

Van voetvolk ging daar uit om haar mee te vermaken

Maar dienkt nu niet te ligt dit is maar Eene poort

De andere ook zo veel het getal is al te groot

Dus, is altijt vermaart maar doe nog veel te meer

Om dat de Muijer poort ge­zonken was te Neer

Ons hospes woont terstond een wijnig aan de zij

Zij moesten voor de deur te zamen al voorbij

Zij zeiden 't zelve ook 't was een vermaarde dag

Dat men een groot getal van schone koetzen zag

Wat blonk het al te zaam dat zeg ik U gewis

De laaste meent men nog dat het de schoonste is

De peerden twee en vier zag men voor koetsen lopen

Die zij voor veele gelt hier Eerst  uit vrijslant kopen

In Glinsterend gereeden denkt dat het lieflijk staat

Voor de lijfhebbers is het wel een pronk Cieraart

En in de koertzen zag men heeren en vloerEllen

Zo wonder opgepronkt ik kan't u niet vertellen

't Was kostbaar al te zaam zeg ik u tot besluit

Blonk alles wat men zag de Koertzen bowen uit

't Was doe de tijt van't jaar die wij daar zijn geweest

dat voor de Joden was drie dagen Pinksterfeest

 

De Negotie moet ik u een wijnig al verklaren

Om dat het wonder is zal ik het oopenbaren

Zij noemden een getal van twentig duisent Jooden

En de vette beesten die zij waren van Nooden

Zij hebben ons verhaalt voor zeeker en voorwaar

Veertig alle weeken te wee­ten door malkaar

Wat al een groot getal ik heb het oower dagt

Zij hadden zeeventig al op het veest geslagt

En veele kalvern maar die zijn ombepaalt

Een Jootze borgerman die heeft het ons verhaalt

Men zag doe ook nog eens de weekmerk mede aan

Met veel verwondering zijn wij daar door gegaan

Ossen ende koeyen komen daar ter ste

Veel Kalfers Schapen vet en ook de Zwinnen mee

De boter zag men daar heel oower vloedig komen

Men heeft ook bij de kaas veel handel al vernomen

Men ziet de makelaars daar nar de beursen lopen

Haar tarwe ende graan en stukgoed te verkopen

Een wonder is het daar zeg ik u met een woort

Men ziet het hier in't klin maar daar o't wel in't groot

Wat staan daar al een kra­men wat lopen daar een Jo­den

Elk roept wel oower luit hebt hij niet wat van noden

Wij zijn doe ook mog eens na't oudmannen huis gegaan

Daar ziet men binnendeur nog agtien kramen staan

Een rontom vol Cieraart maar meest voor rijke lieden

Die kwamen me haar guinst al vrin,lijk aan te bieden

 

Wat zag men Morgens al een groot getal van boeren

Die daar bij wagen vol de Suip en melk in voeren

Het kost daar alles gelt dat zeg ik u voorwaar

Zels water in de vier verko­pen zij malkaar

't Is neerig dagelijks al aan de buitekant

Wel oft kermis is te weeten in het lant

Het woelt en krielt altijt van menschen op de straat

Al van de morgen vroeg tot de avont laat

En is u gelt wat klein wilt gij u zagt geneeren

Gij kunt daarom nog wel in de stad verkeeren

Het eeten ende drinken ja­wel een schone spijs

Dat koopt gij aan de straat voor een sywylle prijs

Gy kunt daarom nog ook wel in een herberg gaan

En reust u leeden wat en ziet dat ook eens aan

Daar is tot u geryf al wee­der zo gestelt

Glas bieren pintie wijn kost beijde wynig gelt

Is dit u te gering en alte slegte zaken

Wilt gij voor meerder gelt wat beeter u vermaken

Gij kunt daar ook wel gaan al na een spuilhuis zoet

Daar de gulden zelden meer als viftien stuwers doet

My denkt het is genog ik zal hier me uit scheiden

Elk koomt daar ligt te regt want zij zijn daar van bei­den

Het neerigts van de stad dat moet ik u ook zeggen

Is aan de buitte kant daar al de scheepen leggen

Het scheen wel na Een bos als men het gaan be­schouwen

Want het leit bij na digt van masten ende touwen

Zij varen daag,lijks uit en komen weeder aan

En't lost en't laat altijt 't komt nimmer stilte staan

 

Men ziet haar van die stad ook na oostynjen vaaren

En halen uit de landen heel kostelijke waaren

Na Spanjen en Vrankrijk en Engellant ook mee

Noorwegen en hamborg en na de ooster zee

Nog veel gewesten meer die ik niet zal verklaren

Daar zij van deese stad met scheepen heene varen

De visschery vermaart op groenlant en die kust

Betragten zij al veel dat is ook me haar leust

Zij varen ook heel sterk na de Sterdawijts wal

En viskeryjen meer die ik niet noemen zal

En hier me breek ik af en zeg u voor gewis

Dat de stad Amsterdam een grote wonder is

Bij awont hebben wij ons afscheid daar genoomen

En zijn doe met een scuit al oower ty gekoomen

Wij kwamen in een dorp dat wort genaamt boeksloot

Reeden die aawont nog al vrij wat verder voort

Wij reeden al zo voort tot dat men doe ook kwam

`al door een klijne stad ge­naamt­ Munnikkendam

Dat zijn de schoonste wee­gen die men ooyt vinden kan

Plesierig rit het daar al voor de reisberman

Wij dwamen door de stad te weeten PeurmerEnt

Daar ook de beemster schoon terstond vandaan begent

Daar is het schoonder lant wat lag het doe vol gras

Want het meestal te zaam weide en haay lant was

Oosthuisen is een dorp 't vertoond hem als een leust

Daar bluwen wij die nagt daar hebben wij gereust

't zijn meest houten huisen getimmert wonder net

Met wit en groene verf heel aardig af gezet

 

Als men dat lant beschout wat is't een wonder al

Daar ik u nu voortaan een woort van zeggen zal

Want het meest al te zaam diep  onder water leit

Ziet men de landen schoon en aardig toe bereit

Wat al een molens groot die zagen wij daar doe

Die maalden zo malkaar te weeten 't water toe

Breeken de dijken door zij moeten wel verdrenken

Die't met mij geeft gezien die zal niet anders denken

Wij kwamen doe te hooren die stad leit aan de zee

Daar ook de schepen leggen daar is een haven mee

Doe vonden wij een weg door dorpen en door 't lant

't`was al te zaam gevloert met klinket op de kant

Het gaf een groot geluit waneer daar kwam een wagen

Met rattels onder aan want zij daar dapper jagen

Wij hebben ook de stad Enkhuisen eens beschouwt

Die is al vrrijwat groot maar niet heel digt bebout

Dit is de laatste stad daar ik  van zeggen zal

Wij hebben nu bereist wel veertien in't getal

Doe waaren wij ten Eijnd het rijden was gedaan

Des middag zijn wij daar al in het schip gegaan

Men zag daar me wat nui van heering beusen doe

Die waren doe in't getal tot vifenviftig toe

Die waren doe gereet om na de zoute baren

Zij zijn zo voor en na en met ons uit gevaren

De Convoojer reisde me tot stuinzel ende nuit

Hij wenste de vrinden 't best en loste zijn geschuit

 

't Was steltjes en mooy weer wij deeden al een gang

Het aawonzierde niet het Eenyde was niet lang

De zeilen wierden doe al in de top gebragt

Om dat men uit mooj weer geen harde wint verwagt

De busluy zijn van ons na't Noorden toe gegaan

Wij stelden onse koerts al na het oosten aan

Daar groeyden beuyen aan al en een korten stont

Waar van men het gevolg al haastig onder vond

De wint kwam doe nog wat nu't oosten toe te drayen

't begon heel om verwagt zo vreeelijk te wayen

De knegten haalden haast 't top zeil al van bowen

't hangt vreeselijk op zij dat kuint ge wel gelowen

De knegt liep na de fok en deed daar haastig wat

Kwam weederom bij ons doe was hij al doornat

De zee verhief hem doe al haastig veel te meer

wat reesd en daald de kof wat ging het op en neer

Het ging doe in de roef al vrijwat armelijk

De passagiers met ons die waren droewig zijk

Ik voeld wel aan mijn lijf wij waren niet op't lant

Maar dog mijn maat en ik wij hielden ons konstant

Ik bleef wel daar ik was en was minder als mijn maat

Die ging nog tweemaal eerst en zag eens naar het paart

ten laasten ben ik ook nog al eens heen gegaan

Ik hield mij onder weegs zo hier en daar wat aan

Men is op zulken tijt al vrij wat ongekeert

Om dat men veel op't lant en niet op het schip verkeert

De wint die daalde wat hoort in een korte stond

Waaren de passagiers ook weederom gezont

 

Men heeft de Lemmer doe al haastig ook vernoomen

Zijn daar door God genaad in de haven aan gekomen

De Schepper wenste ons de welkomst alle gaar

En veele volk met hem want het daar kermes waar

Het peert dat haalden zij al haastig op de wal

En dat zo wonder zagt het was haar niets met al

De dienaars hadden wij daar wel in oowervloed

't Was om het gelt te doen dat is een wonderGoet

Wij bleeven daar die Nagt om dat het aawont waar

Reeden 's morgens vroeg ook weederom van daar

Men heeft doe weederom al vlittig aan gedreeven

Al aan de Jouwer toe daar zijn wij wat gebleewen

Wij reeden alzo door beneeden 't Heerenveen

Zo dat men weeder kwam door de gorredijk ook heen

Men kwam die aawont nog hier weeder in de dragten

Veel vroeger als zij ons meest al te zaam verwagten

Zij meenden dat ons reis wel weeken moeste deuren

En daarom deusten zij het niet wel aavonteuren

Nij ons geheele reis met vaaren rijden jagen

Dat heeft nog maar gedeurt een tijt van Neegen dagen

Wie hoorde voor die tijt van zulken reis ooyt spreken

Dit is van ons gedaan hier hept gij nog het teken

Om dat het zelzaam was zo vond ik mij verpligt

Voor een liefhebber dit te scriewen in't gedigt

Ik heb dit gesereewen te bliewen in gedagten

Ik ben Een jongeling ik woon in Zuiderdragten

 

             EINDE       Anno 1769